Op vakantie. Veel te vroeg geven we onze tassen af bij het laadruim van de grote afgeragte Sovjetbus. De nachtbus. Op het dak staan de dozen tot drie meter opgestapeld en zakken rijst hangen gevaarlijk over de rand. Het stationsplein is gevuld met drukgebarende Vientianese busmaatschappij-regelaartjes ,tuk-tuks, zwaarbepakte reizigers en locals. Een jongen probeert zijn toer-fiets gratis op het dak van zijn bus meegevoerd te krijgen. Een fiets is toch om op te fietsen, denk ik zachtjes. De kaartverkoper met de meeste Engelse woorden in zijn vocabulaire denkt hetzelfde en grijpt de mogelijkheid aan om zijn kerstgratificatie in een keer veilig te stellen. En gelijk heeft ie. Niet lullen, maar betalen! Zou het een oud-Laotiaans spreekwoord zijn?
We zoeken een plek op een van de stationzitjes en plegen een laatste plas. De toiletten zijn keurig volgens de regel Aziatisch goor. Er ligt meer water naast, dan in het gat in de grond; en de witte tegels zijn onherkenbaar door de oranje laag modder op de vloer. De kraan kreunt alleen en geeft geen water. Voor straf geef ik de vijf paar wachtende ogen maar 1000 KIP. Vraag me af of ze het ooit zullen leren. Terug op mijn plastic stoel, zie ik de fiets van de jongen eindelijk op het dak verdwijnen. Ben benieuwd hoeveel Beerlao hij hiervoor heeft moeten neerleggen.
Niet alleen op het dak, maar ook in de bus is alles met communistische precisie volgepakt. De ruimte onder de stoelen wordt gevuld door grote chipsdozen, in het gangpad zitten mensen op plastic krukjes. De radio schettert Laotiaanse toppers. Een groep Duitse backpackers schopt herrie omdat ze denken genaaid te worden. Dat zijn ze al. Ze hadden voor dezelfde beroerde plek 45.000 KIP extra betaald. Een loket voor klachten kennen ze hier nog lang niet. En geen van de regelaartjes is vandaag van plan meer dan 3 woorden Engels te praten. Gewoon pech, gewoon Laos. Daarbij heeft een van de groep ook nog backpack-vrees en wil daarom haar tas niet aan de kleine buschauffeur afstaan. Integendeel, ze plant hem daarom maar pardoes in het gangpad. Hevig zwetend bindt ze haar eigen tas en die van haar vriendin met een spin strak aan de stoelleuning vast. Stel je voor dat er ‘s nachts iemand met de tas op zijn nek zich door het kleine busraampje uit de rijdende bus zou storten, om de volgende dag haar Duitse Lidl ondergoed op de lokale markt te verkopen!
Opnieuw keurig volgens de lokale normen vertrekken we 45 minuten te laat. Hevig zuchtend zet de bus zich in beweging. Door het raam zie ik een gitzwarte roetwolk uit de uitlaat ontsnappen. De baby van het stel voor ons houdt zich nog steeds verbazingwekkend stil. Valium? We hobbelen vrolijk Vientiane uit, de donkere nacht in. Door mijn langzaam zakkende oogleden zie ik ons enkele keren stoppen om nog meer dozen, kippen of rijst op het dak te laden.
Na twee uur schudden kan ik eindelijk mijn blaas legen. De weg naar buiten is een ware survivaltocht. Duikelend over twee Duitse backpacks, een uitgeklapte kinderwagen, een doos met een kip en drie krukjes in het gangpad stroomt er eindelijk frisse lucht mijn neus binnen. Terwijl ik in de verte mijn plas nog hoor wegstromen, toetert de chauffeur al weer. De bus met kip moet verder.
Terug op mijn plek ben ik het niet-sluitende raam en de constante koude stroom van lucht nu echt zat. Het touw, dat de spullen op het dak op zijn plek moest houden, belet het van sluiten. Totdat Odile met Oer-Drentse nuchterheid het raam een oplawaai geeft. Nu kan ik eindelijk slapen. Nou ja. Dromen. Kwijlen. Steunen. Hazeslaapje. Scherpe bocht. De baby kreunt. Klaarwakker. Dorst en zere schenen. De berm. Andere zij. Brak, Au.
Ga er nog een keer uit. Op zoek naar een goede boom dwaal ik door een dorpje. Het is stil en her en der brandt toch licht. Terwijl ik de spetters op mijn voeten voel, realiseer ik me opeens dat ik heel ongelukkig ga zijn als de buschauffeur niet gezien heeft dat ook ik zojuist ben uitgestapt. Pers snel de laatste druppels uit me en ren terug. Net op tijd. Een van de krukbewoners maant me boos de bus in. In zijn rechterhand houdt hij heel losjes een groot vooroorlogs schoudergeweer. Zou dit een voorzorg maatregel tegen te hevig kwijlende passagiers zijn of is er toch ook hier een kans op heuse struikrovers?
Ik droom de uren die volgen over enge mannen en grote pistolen, totdat het opeens langzaam licht wordt. De bergen van Luang Prabang doemen op. Op het busstation staan tuk-tuks ongeduldig op ons te wachten. De radio speelt nog steeds. Het is 6.15 uur en ik stink gevaarlijk uit mijn mond.
Heerlijk, vakantie.
vrijdag 1 januari 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Goede teksten pik! Moet je iets mee gaan doen.. ;-)
BeantwoordenVerwijderenCiao, Jeroen || Ficsus.nl